Elektriciteit was in 1921 geen vreemd verschijnsel. Al vijftig jaar lang maakte men ervan gebruik door telegrammen te versturen via de elektrische telegraaf die op het station van Houten aanwezig was. Maar voor verlichting in huis was de bevolking nog steeds aangewezen op de olielamp.

Voor elektrische verlichting was meer vermogen nodig. Dat werd opgewekt in een elektriciteitscentrale. In Nederland verschijnt de eerste elektriciteitscentrale op 19 april 1886 in Kinderdijk en in de jaren erna zijn het vooral particulieren die ermee experimenteren. Deze waren bijvoorbeeld te vinden in Doorn (1899) en Driebergen (1900). In november 1905 krijgt de gemeente Utrecht een elektriciteitscentrale aan de Nicolaas Beetsstraat, direct naast de spoorlijn. Dit laatste was belangrijk in verband met de aanvoer van kolen. Naast elektriciteit voor verlichting wilde de stad ook een elektrische tramlijn laten rijden. In november 1905 treedt de elektriciteitscentrale in werking en in juli 1906 rijdt er een elektrische tram door de stad. Het duurt nog 15 jaar voordat in Houten de eerste elektrische lamp gaat branden.

ELEKTRICITEIT IN DE PROVINCIE Het buurdorp Jutphaas profiteert van de nabijheid van de Utrechtse elektriciteitscentrale en in 1915 brandt hier al de eerste elektrische lamp. Veel andere dorpen op het platteland zijn afhankelijk van de oprichting van de Provinciale Utrechtse Elektriciteits Maatschappij (PUEM). Wanneer eind 1918 de PUEM start met de levering, wordt de elektriciteit afgenomen van de Utrechtse elektriciteitscentrale aan de Nicolaas Beetsstraat.

In 1921 krijgen o.a. de gemeenten Houten, Odijk, Werkhoven, Schalkwijk en Tull en ’t Waal de mogelijkheid aangesloten te worden op het netwerk van de PUEM. Groot voordeel voor de bewoners is dat er geen flikkerend licht meer is. Geen zwartgebrande kousjes, aangeslagen glazen, gebarsten lampenglazen, geen gepeuter met propjes en watjes om branders schoon te maken en geen roetplekken meer. Bovendien wordt de kortste dag met drie uur verlengd. Daarnaast, heel handig, elektrische verlichting kun je uit en aan doen wanneer je wilt en bij gaslicht ben je blij dat het brandt, aldus de promotie in de krant van die tijd.

GEMEENTELIJK ENERGIEBEDRIJF De gemeente Houten besluit in het voorjaar van 1921 tot het elektrificeren van het dorp en richt daarvoor een gemeentelijke energiebedrijf op. Er wordt 42.000 gulden voor gereserveerd. ’t Goy is te ver weg en wordt niet meegenomen in de plannen. Later blijkt dat ook Oud-Wulven te afgelegen ligt. Gerekend wordt dat bij de start 90 huizen in Houten worden aangesloten en dat dit doorgroeit tot 130 huizen. Midden in het dorp wordt op de Brink (tegenwoordig het Plein) naast het gemeentehuis een wit transformatorhuisje gebouwd (zie foto). De PUEM voorziet dit huisje via een ondergrondse kabel uit Odijk van een wisselspanning van 10.000 Volt. Vanuit het transformatorhuisje worden via bovengrondse kabels de huizen in het dorp aangesloten.

De kabels worden opgehangen op palen die langs diverse wegen worden geplaatst. Op 7 juni 1921 meldt het Utrechts Nieuwsblad dat de werkzaamheden zijn begonnen. Het aanzien van het dorp verandert dus behoorlijk in de zomer van 1921. Palen met bedrading staan op de huidige Vlierweg, Herenweg, de huidige Burgemeester Wallerweg en deels op de huidige Loerikseweg en Julianaweg. Via de huidige Prins Bernardweg loopt een bovengrondse kabel naar de Houtensewetering. De wetering is van begin tot eind bekabeld tot voorbij de kasteeltoren van Schonauwen. Een zijtak naar het gehucht Leebrug maakt het netwerk compleet. Alleen de huisjes voor minder bedeelden aan de Loerikseweg worden overgeslagen. Sommige elektriciteitspalen worden voorzien van een lamp voor de openbare verlichting.

HUISINSTALLATIES Ook in huis en in werkplaatsen zijn installatiewerkzaamheden nodig om een lamp te kunnen laten branden. Er moeten armaturen komen, leidingen worden aangelegd, schakelaars gemonteerd en zekeringen aangebracht. De gemeente betaalt 55 gulden voor de aanleg van zo’n installatie in het gemeentehuis. Het huis van de conciërge krijgt ook verlichting en dat kost de gemeente 40 gulden. Dit wordt aangelegd door elektricien G. Bouthoorn uit Woerden.

Bouthoorn legt ook de verlichting aan in de NH-kerk aan de Brink. Dankzij een installatietekening die bewaard is gebleven in het Regionaal Archief Zuid Utrecht weten we meer over hoe dit er technisch uitzag. De kerkzaal krijgt drie Argalampen. Dit is een enkele jaren eerder uitgevonden gasgevulde lamp met argon, waardoor de gloeidraad langer meegaat. De lamp in het midden van de kerk heeft een sterkte van 1000 ‘kaars’. Met enkele andere lampen erbij wordt de kerkzaal verlicht alsof er 2600 kaarsen branden. Bij de preekstoel is een lamp van 25 kaars voldoende en bij de ingang van de kerk wordt een lamp van 100 kaars gemonteerd. De installatie wordt gezekerd met een hoofdsmeltveiligheid van 15 Ampère. Op 11 september 1921 brandt in de NH-kerk voor het eerst de verlichting.

Voor verlichting is de prijs in Houten 50 cent per kWh en voor beweegkracht 20 cent per kWh. Daarmee is Houten fors duurder dan elders, waar 30 cent per kWh wordt gerekend. De burgemeester kan dan ook trots melden dat in de vijf maanden dat het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf in werking is, er 860 gulden winst is gemaakt. Afrekening gebeurde vermoedelijk met een muntmeter.

Elektriciteit voor beweegkracht wordt afgenomen door o.a. wagenmakerij Verweij. Hier wordt, heel modern, al vrij snel een elektrische machine in gebruik genomen. In juli 1923 opent de Houtense veiling met een elektrische afmijnklok.

ONDERHOUD EN AFSCHRIJVING In de zomer van 1922 valt de elektrische verlichting in Houten regelmatig uit. De takken van de bomen blijken tegen de bovengrondse elektriciteitsdraden te komen, waardoor er kortsluiting ontstaat. Na snoeiwerkzaamheden zijn de storingen achter de rug. Aan het eind van 1922 constateert burgemeester Waller dat het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf verlies heeft geleden. De belangrijkste kostenpost is de afschrijving van het netwerk. De gemeente wil het toekomstige financiële risico niet dragen en besluit het gemeentelijke elektriciteitsbedrijf per 1924 te verkopen aan de PUEM. Voordeel is dat de gemeente dan geen reparaties hoeft uit te voeren bij storm en de PUEM is beter in staat uitbreidingen te realiseren naar de huizen die nog niet zijn aangesloten op het elektriciteitsnetwerk. De verkoop aan PUEM levert de gemeente Houten 35.812 gulden op, dat direct wordt gebruikt om een lening af te lossen. Ook de gemeenten Schalkwijk, Werkhoven en Odijk verkopen het gemeentelijk netwerk aan de PUEM.

PROVINCIE NEEMT DE LEIDING
Ondertussen is de NV Provinciaal en Gemeentelijk Utrechtsch Stroomleveringsbedrijf (PEGUS) opgericht. Dit bedrijf neemt in 1926 een grotere elektriciteitscentrale aan het Merwedekanaal (Lage Weide) in gebruik. De PUEM distribueert de stroom door de provincie. Begin 1930 krijgt het resterende deel van Oud Wulven elektrische verlichting en aan het eind van dat jaar worden in ’t Goy de kerk, twee scholen, 14 boerderijen en 33 woningen aangesloten. Alleen het oostelijkste deel van de Tuurdijk en de Nachtdijk liggen te afgelegen.

Door Frank Magdelyns

Fotocredits Regionaal Archief Zuid-Utrecht, Wijk bij Duurstede. Toegang 353 Topografisch-Historische Atlas Houten, Schalkwijk en Tull en ’t Waal, collectienummers 40891 en 40047. 

NL-WbdRAZU. 353, cat.nr. 40047
Foto: NL-WbdRAZU. 353, cat.nr. 40047

Het transformatorhuisje (in het wit) op de Brink in Houten in 1934

Frank Magdelyns
Foto: Frank Magdelyns
Muntmeter voor elektriciteit in het museum